Vliegen en zich voortplanten, dat is de zin van het leven als je het aan vlinders vraagt. Daarvoor rekenen ze op ideale weersomstandigheden. Om te kunnen vliegen, moeten hun spieren warm genoeg zijn. Maar wat dan als het regent? En waar zitten vlinders in de winter? 

Zonnekloppers

Een vlinder die door je tuin van bloem tot bloem fladdert, doet dat schijnbaar achteloos – alsof het hem totaal geen moeite kost. Toch vergt die luchtdans behoorlijk wat energie, die de vlinder opdoet door gulzig nectar te drinken. Én door zijn vleugelspieren op te warmen. Want vliegen lukt pas als hun lichaam opgewarmd is. De optimale lichaamstemperatuur van een vlinder is 28°C. Daarom zie je vlinders op een zonnige ochtend vaak met gespreide vleugels zonnebaden op een beschut plekje. Ook insecten gebruiken zonne-energie! 

Het gevaar komt van boven

Stel je nu eens voor: je zit gezellig buiten een glaasje te drinken als plots de hemel donkergrijs kleurt en er waterballonnen van wel 10 liter uit de lucht beginnen vallen. Zo voelt een gemiddelde vlinder zich als eensklaps de hemelsluizen worden opengezet. 

Vlinders in regen en winter
De aders zijn goed te zien op de fragiele vleugels van de zuidelijke luzernevlinder

Regendruppels vormen dan ook een serieuze bedreiging voor fragiele vlindervleugels. Als zo’n plens water een scheur in de hoofdader van de vleugel veroorzaakt, is de getroffen vlinder bijna zeker ten dode opgeschreven. Daarom vluchten vlinders bij regen vliegensvlug naar schuilplaatsen die ze ook ‘s nachts gebruiken: hoge grassen, grote bladeren, dichte struiken, kreupelhout, enzovoort. 

Koude-alarm

Regen doet dus meteen allerlei alarmbellen afgaan bij de vlinder. Niet alleen omwille van de nattigheid, maar vooral omdat de temperatuurdaling (die meestal met een fikse bui gepaard gaat) nog veel gevaarlijker is. Een vlinder die door een plensbui uit de lucht gegrepen wordt, kan gedoemd zijn om tijdelijk vast te zitten op een gevaarlijke plek omdat zijn lichaamstemperatuur té sterk gedaald is om nog te kunnen ontsnappen. 

Nu weet je meteen ook waarom vlinders ruim voor de kippen op stok gaan en pas enkele uren na zonsopgang weer tevoorschijn komen. Wanneer ze het té koud hebben, kunnen ze simpelweg hun vleugelspieren niet bewegen. Ze zijn dan heel kwetsbaar. Omdat ze niet kunnen wegvliegen, maar ook omdat ze hun afschrikkende kleurpatronen niet kunnen tonen aan mogelijke vijanden

De vlinderthermostaat

Vlinders in regen en winter
De atalanta warmt de spieren op in de zon

Om hun temperatuur op peil te houden, doen vlinders aan ware fysica. Bij hitte houden ze hun vleugels gesloten en positioneren ze zich met de bovenkant van hun vleugels richting zon – op die manier vermijden ze oververhitting. Is het aan de koude kant, dan openen ze hun vleugels onder zo’n hoek dat invallend zonlicht wordt gefocust op hun lijfje en het begin van de vliegspieren. Bij nog lagere temperaturen openen ze hun vleugels telkens een tikje meer, zodat elk onderdeel apart zoveel mogelijk warmte ontvangt. Na elke korte vlucht moeten ze weer opwarmen, want het kleinste briesje koelt de vlinder weer helemaal af. 

En in de winter? 

Vlinders zoals de atalanta en de distelvlinder nemen het zekere voor het onzekere en overwinteren in het zuiden. Daarvoor reizen ze soms duizenden kilometers. Dat kost erg veel energie, waardoor heel wat vlinders de barre tocht niet overleven.

Het merendeel van onze vlinders blijft echter gewoon hier, maar niet allemaal in hetzelfde levensstadium. Sommige leggen op het einde van het seizoen eitjes, die pas in het volgende voorjaar uitkomen. Andere overleven ‘s winters als rups, doodstil wachtend tot het weer warmer wordt en ze verder kunnen eten. 

Er zijn ook vlinders die als pop de winter doorstaan. Zoals het koolwitje, dat twee generaties per jaar doormaakt. De winterpoppen groeien uit tot de voorjaarsgeneratie. Hoe het de zomergeneratie vergaat, kan je momenteel volgen op onze livecam

Antivries

Vlinders in regen en winter
Dagpauwoog in winterslaap

En dan zijn er nog de echte die-hards, de soorten die als volwassen vlinder een winterslaap houden in Onze Natuur. Je ziet ze bij de eerste voorjaarszon verschijnen in het landschap: de kleine vos, de citroenvlinder, de dagpauwoog en de gehakkelde aurelia. Ze verstoppen zich op beschutte plekken of zoeken een locatie uit waar ze perfect gecamoufleerd zijn voor een héél lang dutje. Door in hun lichaam het vocht te vervangen door een soort van bio-antivries, kunnen ze temperaturen tot -20°C doorstaan! 

Trouwens, we hebben er sinds kort nog een vijfde overwinteraar bij. De atalanta – van oorsprong een trekvlinder – beslist door de klimaatverandering steeds vaker om ‘s winters gewoon hier te blijven. Aangezien hij niet in winterslaap gaat, komt hem dat wel eens duur te staan als er dan toch een strenge winterprik volgt …