Ga naar main content
bunzing-02.jpeg
Rollin Verlinde

Bunzing

Deze marterachtige met zijn kenmerkende bandietenmasker is wat minder bekend dan zijn gedomesticeerde versie, de fret. Nochtans zijn bunzingen nog steeds aanwezig in onze natuur en lijken ze in niets op wat hun reputatie van ongedierte, die wij hen toeschrijven, doet vermoeden.

bunzing-nl.png

Herken de bunzing

(Mustela putorius)

Hoewel hij overeenkomsten vertoont met andere leden van zijn familie, is deze marterachtige een van de gemakkelijkste om te herkennen – ook al ziet hij er net zo uit als zijn gedomesticeerde neefje, de fret. Je kan hem identificeren dankzij deze kenmerken:

  • hij is bruin tot donkerbruin van kleur, maar wordt lichter in de winter omdat zijn gelige ondervacht dan beter zichtbaar is
  • zijn snuit en de randen van zijn oren zijn wit en ook zijn kop is vaak lichter van kleur
  • hij meet ongeveer 40-50 centimeter en weegt tussen 750 en 1.700 gram (mannetjes) en tussen 450 en 900 gram (vrouwtjes)
  • net als veel andere marterachtigen heeft hij een langwerpig lichaam en korte poten
  • hij heeft een Zorro-achtig gezichtsmasker dat zijn ogen omringt

Op het menu

Onze bunzing is een echte opportunist. Als nachtdier gaat hij pas na zonsondergang op zoek naar voedsel. Kikkers, ratten, woelmuizen, spitsmuizen … Aan geen enkele kleine prooi kan hij weerstaan. Soms jaagt hij zelfs op prooien die groter zijn dan hijzelf, zoals wilde konijnen. Hij slaagt er zelfs in om bepaalde epidemieën, zoals myxomatose, in te dammen, omdat hij de zwakkere konijnen aanvalt en zo de overdracht van de ziekte voorkomt. Nog een voordeel van zijn dieet: hij is een van de weinige roofdieren die het op muskusratten gemunt hebben, wat ervoor zorgt dat die laatste niet zomaar ongecontroleerd onze oevers binnendringen. Als hij de kans krijgt om zijn tanden in een eitje of een babyvogeltje te zetten, zal hij dat zeker niet laten, en af en toe voegt hij ook bessen aan zijn menu toe.

Zijn voorkeur voor vochtige omgevingen maakt van de bunzing een prima zwemmer. Met zijn lange lichaam kan hij in de kleinste holen kruipen om zijn prooien te vinden. Hij vangt ze tussen zijn tanden en doorboort vervolgens de schedel of nek met zijn krachtige kaken om ze snel te doden.

bunzing.jpeg
Lars Soerink

Leefgebied van de bunzing

De bunzing komt voor in alle mogelijke wilde omgevingen, maar heeft toch een voorkeur voor vochtige, gevarieerde gebieden: aan de rand van vijvers, op de oevers van waterlopen, in moerassen … Daar graaft hij een hol dat hij verstopt onder de bomen, goed verborgen door de wortels. Het gebeurt ook dat hij een hol hergebruikt dat door een ander dier gebouwd werd en als hij zich in de buurt van woningen bevindt, durft hij zelfs een gebouw binnengaan. Eens hij zijn koffers heeft uitgepakt, versiert onze bunzing zijn hol met mos en gras, en markeert hij zijn territorium zodat al zijn soortgenoten weten dat het plekje bezet is. Dit is waar de beroemde musk, die hij afscheidt via zijn anaalklieren, in het spel komt. In de winter zoekt hij een warmere plek op.

Bunzingenliefde

De bunzing gebruikt zijn indringende muskusgeur niet alleen om soortgenoten te waarschuwen voor zijn aanwezigheid, maar het speelt ook een rol in de voortplanting: het bijzondere aroma werkt namelijk als een magneet op bunzingen van het andere geslacht. De paring vindt plaats tussen eind februari en mei; tijdens deze periode bezoeken de mannetjes de holen van verschillende vrouwtjes, als echte casanova’s! Ovulatie bij de vrouwtjes wordt veroorzaakt door de paring, en niet andersom. Na een draagtijd van zes weken zet Mevrouw Bunzing drie tot tien blinde en naakte jongen op de wereld. Ze geeft hen een maand borstvoeding en vanaf de leeftijd van drie maanden zijn de kleintjes onafhankelijk. Na een jaar – of zelfs minder – zijn de jonge bunzingen op hun beurt weer geslachtsrijp.

bunzingen.jpeg
Yves Adams

Relatie van de bunzing met de mens

De bunzing komt vaker voor in Wallonië, omdat hij stedelijke gebieden mijdt. Door het droogleggen en de achteruitgang van onze wetlands neemt de populatie echter af. Het lijkt erop dat ook het afnemen van de konijnenpopulaties een invloed heeft op onze marterachtige, die niet langer voldoende prooien vindt om zijn honger te stillen. 

Helaas heeft de bunzing – onterecht – een slechte reputatie. Hij wordt regelmatig als ongedierte bestempeld, maar in realiteit is hij eigenlijk net heel nuttig. Akkoord, het kan weleens gebeuren dat hij in een kippenhok verzeild raakt, maar het gebrek aan nabijheid van verstedelijkte gebieden maakt hem meestal onschuldig. Deze invallen zijn hoe dan ook uiterst zeldzaam. Trouwens, een goed afgesloten en onderhouden kippenhok zou prima bestand moeten zijn tegen marterachtigen. Anderzijds voedt de bunzing zich net met soorten die eveneens als schadelijk beschouwd worden, zoals ratten, muskusratten en muizen. 

Net als zijn neven is hij vaak het slachtoffer van het wegverkeer. Onze alomtegenwoordige wegen versnipperen het territorium van de marterachtigen, waardoor ze zich niet veilig van de ene naar de andere kant kunnen verplaatsen. Gevolg: vele van hen komen pijnlijk en vaak dodelijk in aanraking met voorbijrijdende voertuigen.

Wist je dat de bunzing ...

  • in de populaire cultuur vaak werd verward met het stinkdier? Pepé Le Pew van Looney Tunes en Bloempje uit Bambi worden beschreven als bunzingen, ook al hebben ze de typische lichaamsbouw van stinkdieren. Hun enige overeenkomst is de geur die hun anaalklieren afgeven.
  • onder invloed van angst die sterk ruikende inhoud van zijn anaalklieren kan vrijgeven? De muskusachtige geur is bedoeld om roofdieren af te schrikken en ligt aan de oorsprong van de uitdrukking ‘stinken als een bunzing’.
  • zo’n tweeduizend jaar geleden werd getemd met als doel de jacht op klein wild (zoals konijnen) efficiënter te maken? In tegenstelling tot honden kunnen bunzingen namelijk probleemloos een hol binnendringen. Dit gedomesticeerde broertje bestaat vandaag nog steeds: de fret.
  • kan grinniken of fluiten in geval van gevaar? Voor de rest is het een eerder stil beestje.