Ga naar main content
shutterstock-1158120805-1.jpg

Hoe werkt camouflage bij dieren?

Terwijl onze huisdieren én onze veestapel in de meest uiteenlopende kleuren voorkomen – met of zonder witte vlekken – komen wilde diersoorten meestal maar in één kleurvariant voor. Dat heeft alles te maken met camouflage: ze zijn perfect aangepast aan hun leefomgeving. 

Camouflage werkt in twee richtingen. Prooien maken zichzelf onzichtbaar voor roofdieren om niet als lekkere hap te eindigen. Maar ook predatoren doen aan camouflage om ervoor te zorgen dat ze ongemerkt kunnen toeslaan. Hoe ze dat doen, is voor elk dier anders. Sommige gebruiken zelfs verschillende camouflagetechnieken die elkaars effect versterken! 

Met een schutkleur val je niet op

De meest bekende manier om niet op te vallen, is het aannemen van de omgevingskleur. De schutkleur van een dier verklapt vaak waar het zijn rustplaats heeft. Soms zitten er patronen in de vacht of veren, die het effect nog versterken. En de échte camouflagemeesters gaan nog een stapje verder en nemen de vorm aan van hun omgeving. 

 

 

 

De nachtzwaluw is een grondbroeder. Door de kleur en de patronen op zijn verenkleed is hij perfect gecamoufleerd op de bodem van bosranden. 

 

 

Kan jij de vos spotten, die hier perfect opgaat in zijn omgeving van hoge, dorre grassen? 

 

 

Wanneer de gehakkelde aurelia haar vleugels sluit, ziet de vlinder eruit als een dor en verfomfaaid boomblad. 

Spelen met schaduwen

Vaak hebben dieren bovenaan een donkere en onderaan een lichte kleur. Dat zorgt voor een ‘omgekeerde schaduwwerking’ of ‘countershading’, wat betekent dat het dier even goed gecamoufleerd is als je het langs boven of onder bekijkt. 

 

 

De witgat valt met z’n lichte buik niet op voor de kleine diertjes die hij uit de modder opvist. 

 

 

Veel vissen maken gebruik van deze tactiek om zowel op de bodem als tijdens het zwemmen niet op te vallen, bijvoorbeeld deze hondshaai

Van kleur veranderen

Er zijn ook dieren die alles uit de kast halen om op te gaan in de omgeving. Ze zijn in staat om letterlijk van kleur te veranderen. 

 

 

De zeekat (een inktvis) heeft cellen in zijn huid waarmee hij de kleur van de omgeving kan aannemen. 

 

 

De gewone kameleonspin kleurt geel of wit, naargelang de bloem waarop ze gaat zitten. 

Omgekeerde camouflage

Er zijn ook dieren die heel erg opvallen, zo hard dat ze wel moeten opgemerkt worden door andere dieren. Vaak hebben zulke dieren kleuren die als ‘gevaarlijk’ bestempeld worden, maar van sommige blijf je écht beter af. 

 

 

De lentevuurspin doet met haar opvallend kleurtje alsof ze supergiftig is. 

 

 

De rups van de sint-jacobsvlinder is écht giftig door de giftige waardplant waarvan ze eet. 

 

 

De ogen op de vleugels van de dagpauwoog schrikken vogels af die op zoek zijn naar een lekkere hap. 

Mimicry: op een ander dier lijken

Soms lijken twee soorten zo hard op elkaar, dat andere dieren amper het verschil zien. Vaak zijn het onschuldige dieren die het uiterlijk van een gevaarlijke soort aannemen, om zich zo onaantrekkelijk te maken voor belagers. 

 

 

Deze onschuldige stadsreus (een zweefvlieg) leidt zelfs veel mensen om de tuin: ze wordt weggejaagd alsof het een gevaarlijke wesp is want ze lijkt als twee druppels water op een hoornaar

Meer over


Gerelateerde artikels