Terwijl onze huisdieren én onze veestapel in de meest uiteenlopende kleuren voorkomen – met of zonder witte vlekken – komen wilde diersoorten meestal maar in één kleurvariant voor. Dat heeft alles te maken met camouflage: ze zijn perfect aangepast aan hun leefomgeving. 

Camouflage werkt in twee richtingen. Prooien maken zichzelf onzichtbaar voor roofdieren om niet als lekkere hap te eindigen. Maar ook predatoren doen aan camouflage om ervoor te zorgen dat ze ongemerkt kunnen toeslaan. Hoe ze dat doen, is voor elk dier anders. Sommige gebruiken zelfs verschillende camouflagetechnieken die elkaars effect versterken! 

Met een schutkleur val je niet op 

De meest bekende manier om niet op te vallen, is het aannemen van de omgevingskleur. De schutkleur van een dier verklapt vaak waar het zijn rustplaats heeft. Soms zitten er patronen in de vacht of veren, die het effect nog versterken. En de échte camouflagemeesters gaan nog een stapje verder en nemen de vorm aan van hun omgeving. 

Camouflage van nachtzwaluw op bosbodem

 

De nachtzwaluw is een grondbroeder. Door de kleur en de patronen op zijn verenkleed is hij perfect gecamoufleerd op de bodem van bosranden. 

 

 

Vos in gras - camouflage

 

Kan jij de vos spotten, die hier perfect opgaat in zijn omgeving van hoge, dorre grassen? 

 

 

Gehakkelde aurelia ziet eruit als een dorblad

 

Wanneer de gehakkelde aurelia haar vleugels sluit, ziet de vlinder eruit als een dor en verfomfaaid boomblad. 

 

 

Spelen met schaduwen 

Vaak hebben dieren bovenaan een donkere en onderaan een lichte kleur. Dat zorgt voor een ‘omgekeerde schaduwwerking’ of ‘countershading’, wat betekent dat het dier even goed gecamoufleerd is als je het langs boven of onder bekijkt. 

Witgat camouflage vanuit het water

 

De witgat valt met z’n lichte buik niet op voor de kleine diertjes die hij uit de modder opvist. 

 

 

Countershading bij hondshaai

 

Veel vissen maken gebruik van deze tactiek om zowel op de bodem als tijdens het zwemmen niet op te vallen, bijvoorbeeld deze hondshaai

 

 

Van kleur veranderen

Er zijn ook dieren die alles uit de kast halen om op te gaan in de omgeving. Ze zijn in staat om letterlijk van kleur te veranderen. 

Camouflage van zeekat

 

De zeekat (een inktvis) heeft cellen in zijn huid waarmee hij de kleur van de omgeving kan aannemen. 

 

 

Camouflage van kamelonspin

 

De gewone kameleonspin kleurt geel of wit, naargelang de bloem waarop ze gaat zitten. 

 

 

Omgekeerde camouflage

Er zijn ook dieren die heel erg opvallen, zo hard dat ze wel moeten opgemerkt worden door andere dieren. Vaak hebben zulke dieren kleuren die als ‘gevaarlijk’ bestempeld worden, maar van sommige blijf je écht beter af. 

Opvallende lentevuurspin

 

De lentevuurspin doet met haar opvallend kleurtje alsof ze supergiftig is. 

 

 

Giftige rups van Sint-Jacobsvlinder

 

De rups van de sint-jacobsvlinder is écht giftig door de giftige waardplant waarvan ze eet. 

 

 

Ogen op rug vleugels dagpauwoog

 

De ogen op de vleugels van de dagpauwoog schrikken vogels af die op zoek zijn naar een lekkere hap. 

 

 

Mimicry: op een ander dier lijken 

Soms lijken twee soorten zo hard op elkaar, dat andere dieren amper het verschil zien. Vaak zijn het onschuldige dieren die het uiterlijk van een gevaarlijke soort aannemen, om zich zo onaantrekkelijk te maken voor belagers. 

Zweefvlieg die lijkt op wesp

Deze onschuldige stadsreus (een zweefvlieg) leidt zelfs veel mensen om de tuin: ze wordt weggejaagd alsof het een gevaarlijke wesp is want ze lijkt als twee druppels water op een hoornaar